Veel beleggers kijken in december extra naar de beleggingsportefeuille. Ook de datum van 1 januari staat bij beleggers omcirkeld in de agenda. Dit is de datum waarop de belastingdienst bepaalt hoeveel vermogen iemand heeft. Deze datum heeft dan ook veel invloed op de box 3 heffing, zeker als je de belasting laat heffen op het fictief rendement. Beleggers overwegen regelmatig om peildatumarbitrage toe te passen. Daarbij worden beleggingen rond de jaarwisseling verkocht, het geld wordt tijdelijk op een spaarrekening gezet en na drie maanden weer belegd. Het doel hiervan is om op de peildatum (1 januari) zoveel mogelijk vermogen als ‘sparen’ te laten meetellen in plaats van als ‘beleggingen’, dit omdat over spaargelden minder belasting wordt geheven.
Het fiscale verschil is namelijk behoorlijk. Beleggingen en overige bezittingen worden volgend jaar belast op basis van een fictief rendement van 6%. De belastingheffing is 36%. Wat neerkomt op een effectieve heffing van 2,16% over de beleggingen/andere bezittingen. Bij spaargelden telt het actuele rentetarief, de afgelopen jaren is dit bepaald op 1,44%, waardoor de effectieve heffing neerkwam op ongeveer 0,52%. Het verschil in belastingheffing is dan ook 1,64%. Hierdoor lijkt het interessant om de beleggingen tijdelijk om te zetten naar spaargelden en na de (wettelijke) 3 maanden weer te gaan beleggen. Maar belastingoptimalisatie is iets anders dan rendementsoptimalisatie.
Om dat te onderzoeken heb ik gekeken naar de MSCI World index in euro’s, vanaf 1999. Steeds heb ik, puur als voorbeeld, de slotkoersen van oktober, november en december genomen. Hierbij heb ik berekend welk rendement een belegger zou hebben behaald door op deze koersen uit te stappen en precies drie maanden later opnieuw in te stappen.
De uitkomsten lopen sterk uiteen. Van min 19,6 procent tot plus 14,8 procent in slechts drie maanden. Gemiddeld lag het rendement van alle metingen op 1,38 procent, lager dan de belastingbesparing. Op basis daarvan lijkt peildatumarbitrage te werken, echter zijn de kosten van deze transacties buiten beschouwing gelaten, dus het historische voordeel van 0,26% is nog wat kleiner dan het in eerste instantie lijkt.
Maar gemiddelden zijn verraderlijk. In 44 gevallen was het rendement hoger dan de belastingwinst, tegenover 34 keer dat het rendement lager was. Dat betekent dat peildatumarbitrage in de praktijk vaker ongunstig uitpakte dan gunstig. Alleen weet je dat pas achteraf.
Daarbij kan het in- en uitstappen ook weer voor een extra timingbeslissing zorgen. Er moet een moment gekozen worden in de laatste drie maanden van het jaar om uit te stappen, maar later ook weer om in te stappen. In de praktijk zie je dat beleggers twijfelen om weer aan te kopen als de markt in de drie tussenliggende maanden sterk gestegen is. Het gevolg is dat de periode buiten de markt langer wordt dan gepland, met een groter risico op gemist rendement. Zo verandert een fiscale keuze ongemerkt in een reeks beleggingsbeslissingen die grote impact kunnen hebben. Dit terwijl de historische opbrengst gemiddeld maar beperkt is (0,26%). Voor een lange termijnbelegger is het vaak veel verstandiger om de markt zijn werk te laten doen. Het streven naar een beperkt voordeel kan namelijk grote negatieve rendementsgevolgen hebben.
Ook te lezen op IEXProfs: Belastingoptimalisatie is niet altijd rendementsoptimalisatie

Marcel Luchtenveld — Manager afdeling particulier vermogensbeheer
De informatie in dit artikel is niet bedoeld als professioneel beleggingsadvies of als aanbeveling tot het doen van bepaalde beleggingen.